|
Tijdschrift van het Nederlands Genootschap van Maag-Darm-Leverartsen
MAGMA
Bevolkingsonderzoek
dikkedarmkanker
komt op gang
MAGMA is een uitgave van het
Nederlands Genootschap van
Maag-Darm-Leverartsen. Het
magazine wordt gratis toegezonden
aan Nederlandse MDL-artsen
en andere MDL-geinteresseerde
specialisten; medische bibliotheken
en besturen van patientenorganisaties.
De uitgave van
MAGMA wordt mogelijk
gemaakt door ALTANA
Pharma bv. MAGMA verschijnt
vier keer per jaar.
REDAC T I E
Chris Mulder
Wim Hameeteman
Marleen Groeneveld
Joep Bartelsman
Harry Janssen
Ad Masclee
Marten Otten
EINDREDAC T I E Frans van den Mosselaar
REDACTIEADRES
Prof. dr. Chris J.J. Mulder
VU medisch centrum
Postbus 7057
1007 MB AMSTERDAM
Fax: (020) 444 05 54
E-mail: cjmulder@vumc.nl
ABONNEMENTEN
Adreswijzigingen en vragen:
ALTANA Pharma bv
Postbus 31
2130 AA HOOFDDORP
E-mail:info@altanapharma.nl
VORMGEVING M .Art, Haarlem
grafische vormgeving
DRUK
Drukkerij Koopmans
Zwanenburg
ISSN: 1384-5012
MAGMA
Magma is, volgens Van Dale, 'de
gesmolten massa van silicaten en
oxiden in het binnenste der
aarde'. Het staat als naam van dit
tijdschrift voor het binnenste van
de mens en voor de dynamiek van
het vakgebied maag-darmleverziekten.
M D L - T R A N S F E R S
Gerrit Griffioen LUMC is sinds 1980 MDL-arts, een vermelding
waard.
In een aantal plaatsen met MDL-vacatures lijken de
gesprekken gestrand op verzoeken aan solliciterende
MDL-artsen, de assistenten van vandaag, om interne
diensten te doen. Ondanks de goede bedoelingen van
het Convenant blijkt dat er struikelblokken tussen de
interne en de MDL blijven.
Martin Houben stapt over naar de MDL-groep Haga
(Leyenburg/Rode Kruis) in Den Haag. Abha Bhalla
(EMCU) treedt als 4e MDL-arts toe, er komt een vacature
voor een 5c MDL-arts. Ton Naber, die meer dan 20 jaar
in het St. Radboud op de MDL heeft gewerkt, start per
1 mei 2005 in Hilversum, combinatie Gooi-Noord, met
als MDL-collegae Cyriel Ponsioen en Paul Kingma. Jan
Sindram uit Zwolle (ziekenhuis-directeur Isala tot eind
2002 en daarvoor tot 1997 internist in Alkmaar) is als
2e MDL-arts begonnen in Hoogeveen. Bas van Tuyl uit
Nieuwegein start als 4e MDL-arts in het Diakonessenhuis
in Utrecht. Almere krijgt Rosalie Mallant-Hent (VUMC) als
3e MDL-arts. Almere groeit naar 200.000 inwoners,
nummer 4 en 5 komen er wel. Jan van Hattum is na een
lange levercarriere (UMCU) gestart als 1e MDL-arts in
Gorinchem.
De beoogde kandidaat voor Helmond, Annemarie Wensing
(AZM), komt. Hier werken verder nog 8 internisten,
waarvan er 4 blijven scopieren. Het Maxima Medisch
Centrum slaat een enorme slag. Jan Willem Straathof
(LUMC) en Jan Kamphuis (AZM) starten er als 5e en 6e
MDL-arts. In Apeldoorn is de beoogde 3e MDL-arts binnen
twee maanden vertrokken. In het Canisius Ziekenhuis
werken slechts 2,4 fte's MDL; hulp wordt geboden door
collega Van Gorp, ex-internist Geldrop. Hier scopieren
verder 5 internisten. De wachttijd voor coloscopie is
opgelopen tot 3-4 maanden, Arnhem merkt dit. Extra
fte's MDL lijken gewenst.
Dit jaar wordt Solko Schalm 65 jaar en wordt een levertijdperk
afgesloten, een advertentie volgt. Sjoerd Rave
stopt als MDL-arts, Sunje Schlotzhauer blijft in ieder
geval nog een jaar extra in Rotterdam op de hepatologie.
Tom Moreels uit Antwerpen werkt een jaar in het EMC.
Tom, Sunje en Rob de Knegt nemen nu alle abdominale
echo's voor hun rekening; een trend is gezet.Enschede lijkt nu toch richting 6e MDL-arts te gaan; hier
scopieert een internist. Het Groene Hart in Gouda vraagt
een 2e MDL-arts, hier scopieren 5 internisten. Het Franciscus
in Rotterdam vraagt een halve fte ter substitutie
van een halve internist. Capelle doet een nieuwe poging
voor een 3e MDL-arts. Apeldoorn en Maastricht beraden
zich over de toekomst van de MDL. Almelo/Hengelo
zoekt op korte termijn een 3e en 4e MDL-arts. Het Rijnland
Ziekenhuis in Leiderdorp zoekt een 2e MDL-arts.
Leeuwarden heeft een vergunning gekregen voor een 5eMDL-arts
Dit jaar studeren 15 MDL-artsen af; 10 hebben al een
baan. In 2006 stroomt het bijna over met 25 nieuwe
MDL-artsen. Een leverstage of iets anders ter profilering
zal meerwaarde krijgen; de beperking van de donkere
kamer wordt herkend. Sluimerende vacatures zullen worden
opgevuld. In 2007 volgen 18 MDL-artsen, in 2008
13 MDL-artsen, in 2009 10 MDL-artsen; deze dip komt
door de 2+4-opleiding. Tot 2010 gaan 22 MDL-artsen
met pensioen; over het aantal te pensioneren scopierende
internisten weten we niets. Dit betekent dat de
MDL-markt 20% qua fte's moet groeien of substitueren.
Dit jaar stoppen 3 MDL-artsen hun praktijk. Hoeveel fte's
vrijkomen door VUT/ziekte/sterfte, weten we niet.
Het aantal praktiserende MDL-artsen is toegenomen tot
226, waarvan er 218 lid zijn van ons Genootschap.
C.M.
Bijdragen welkom
De redactie van MAGMA stelt bijzonder veel prijs op bijdragen van een ieder die geinteresseerd is in maag-darmleverziekten.
Zowel wetenschappelijke artikelen als casuistische beschouwingen zijn welkom. Ook voor tips en
suggesties voor te behandelen onderwerpen houdt de redactie zich aanbevolen. Wij nodigen u graag uit uw
bijdrage te sturen naar het redactieadres (zie colofon).
Correspondenten Academische centra: Academisch Medisch Centrum Amsterdam, Joep Bartelsman;
VU medisch centrum, Elly Klinkenberg-Knol; Academisch Ziekenhuis Maastricht, Wim Hameeteman; St. Radboud
Nijmegen, Fokko Nagengast; Erasmus MC Rotterdam, Harry Janssen; Academisch Ziekenhuis Groningen,
Bram Limburg; Universitair Medisch Centrum Utrecht, Bas Oldenburg; Leids Universitair Medisch Centrum,
Cock Lamers. |
We gaan screenen
Consensus bereiken over de invoering van
bevolkingsonderzoek op colorectaal carcinoom.
Dat was het doel van de bijeenkomst die
ZonMW op verzoek van het Ministerie van
VWS in het eerste weekend van februari in
Zwolle organiseerde. Voor deze bijeenkomst
waren alle betrokken partijen uitgenodigd. Ook
organisaties uit andere Europese landen namen
deel. Vooraf hadden de organisatoren een duidelijke
lijn neergezet, waarlangs consensus bereikt
diende te worden. Zo was als uitgangspunt genomen
dat er in Nederland
binnen twee tot drie jaar
begonnen zou worden met
bevolkingonderzoek met
behulp van het testen van
ontlasting op occult bloed
(FOBT). Over dit uitgangspunt
mocht niet worden
gediscussieerd. Ook was van tevoren gesteld dat
een eenmaal ingevoerd programma 'robuust'
diende te zijn, waarmee bedoeld werd dat het
gedurende tien jaar onveranderd in stand kon blijven.
Gelukkig werd dit laatste punt al snel wat
genuanceerd.
De bijeenkomst was dus meer gericht op de
gevolgen van het starten van FOBT-bevolkingsonderzoek
dan op iets anders. Voor ons als MDLartsen
zijn die gevolgen natuurlijk groot. Wanneer
we op deze manier starten, zullen er tussen
de 15.000 en 50.000 coloscopieen per jaar extra
gedaan moeten worden, afhankelijk van nader te
maken keuzen zoals de te screenen leeftijdsgroep.
Kunnen die extra scopieen er gewoon bij? Daar
heb ik mijn twijfels over. Immers het gaat hier om
gezonde mensen die door bevolkingsonderzoek
acuut ernstig ongerust zijn geworden. Een wachttijd
van meer dan twee weken om de echt-positieven
van de (vele) vals-positieven te onderscheiden,
lijkt dan ook niet acceptabel. Wat gebeurt er
dan met de wachttijd voor de 'gewone' scopieen,
dat wil zeggen de scopieen bij mensen die al
patient zijn? Professor Bob Steele uit Dundee,
Schotland, liet zien dat in hun proefproject de
wachttijd fors was opgelopen. Er lijkt dus capaciteit
(met onbetwiste kwaliteit) bij te moeten
komen.
Voor ons, MDL-artsen, is dit het moment om
te laten zien hoe goed we werkelijk zijn. We
moeten op korte termijn laten zien dat in onze
ziekenhuizen het gemiddelde coecum-intubatiepercentage intubatiepercentage
boven de 90% ligt. Dat zal nog niet
overal zo zijn en daarom hebben we een klein
aantal trainingscentra nodig waar mensen naartoe
kunnen om hun techniek bij te spijkeren. In diezelfde
centra kunnen extra verpleegkundigendoscopisten
worden opgeleid. Zij lijken bij uitstek
geschikt om een select gedeelte van het extra
werk te doen. Zelfstandig maar zo mogelijk met
een MDL-arts in de buurt. Want wanneer we met
FOBT gaan screenen, dan zal ongeveer 40% van
de patienten die voor coloscopie komen, een
grote poliep dan wel een
carcinoom hebben.
Dit is mijn laatste Periscoop
na bijna vier jaar uw
voorzitter te zijn geweest.
Bij de volgende ledenvergadering
zal ik mijn voorzittershamer
neerleggen en
weer in de zaal plaatsnemen. We hebben in die
vier jaar met een grote groep mensen hard
gewerkt aan het verder op de kaart zetten van de
MDL-ziekten in Nederland. En met succes! Na
het bereiken van een convenant met de internisten
(wat weer eens moet worden bijgesteld), zijn
we langzaam van reactief naar proactief besturen
overgegaan. Er is samen met het NIVEL een
behoefteraming gedaan, de opleiding is omgevormd
van een 3-3 naar 2-4-model (2 jaar interne
geneeskunde en 4 jaar MDL-ziekten) en door het
capaciteitsorgaan werd ons de noodzakelijke groei
ook gegund. Op korte termijn zullen de NVGE
en NGMDL versmelten in een nieuwe structuur,
waarbij de MDL-artsen aan het roer van de
wetenschappelijke vereniging staan en de MDLdagen
in Veldhoven door alle groepen met een
MDL-hart samen georganiseerd gaan worden
(chirurgen, internisten, kinderartsen, basale
onderzoekers en MDL-artsen). Zoals altijd is er
weliswaar veel bereikt, maar is er nog veel meer te
doen. De maag-darm-leverarts heeft een prachtig
vak met vele uitdagingen in de toekomst. De
patienten met MDL-ziekten kunnen zich verheugen
in een ambitieuze groep MDL-artsen die
bruisen van ideen en activiteit.
Was getekend,
Paul Fockens
-voorzitter-
Symposium secundaire preventie tumoren maagdarmkanaal
"De beste methode moet zich ontwikkelen in de praktijk"
OP 24 FEBRUARI 2005 HIELD HET MEDISCH CENTRUM VAN DE VU (VUMC) EEN SYMPOSIUM
OVER DE SECUNDAIRE PREVENTIE VAN TUMOREN VAN HET MAAGDARMKANAAL, MET DE NADRUK
OP DIKKEDARMKANKER. DEZE AANDOENING VEROORZAAKT MEER DAN 25% VAN ALLE KANKERSTERFTE.
DE ORGANISATOREN WAREN PROF. DR. G.A. MEIJER, PROF. DR. C.J. MULDER EN
PROF. DR. H.M. PINEDO. CENTRAAL IN HET OCHTENDPROGRAMMA STONDEN DE SCREENINGSTECHNIEKEN
DIE BINNENKORT HUN OPWACHTING MAKEN IN DE KLINIEK. HET MIDDAGPROGRAMMA
BELICHTTE DE LOGISTIEKE EN OPERATIONELE ASPECTEN VAN SCREENING. DAARBIJ
GAAT HET OM ZAKEN ALS PATIENTEN- EN RESULTAATADMINISTRATIE, KOSTENEFFECTIVITEIT,
OPEN ACCESS-SCREENING, PUBLIEK-PRIVATE INITIATIEVEN EN DE ROL VAN DE OVERHEID.
Alle screeningsmethoden die reeds worden
toegepast of in ontwikkeling zijn,
hebben hun voor- en nadelen. FOBT
('Faeces Occult Bloed Test') is een eenvoudige,
niet invasieve test die elke een tot twee jaar moet
worden herhaald. Het grootste probleem van deze
test betreft de sensitiviteit en specificiteit. Een relatief
groot aantal adenomen (het voorstadium van
dikkedarmkanker) en dikkedarmtumoren wordt
gemist, terwijl aan de andere kant ook veel foutpositieve
testuitslagen voorkomen. In een artikel
van de New England Journal (december 2004) staat
te lezen dat in een grote studie met meer dan 5000
deelnemers bij 400 mensen dikkedarmkanker of
een voorloper werd geconstateerd. De FOBT was
bij slechts een vijfde deel van deze 400 patienten
positief.
GROTERE TREFZEKERHEID
Een veel grotere trefzekerheid dan FOBT kent
de screening op basis van colonoscopie. Een negatieve
colonoscopie duidt op minstens tien jaar
vrijwaring van carcinomen. Deze techniek wordt
op dit moment beschouwd als de gouden standaard.
Maar ook aan deze vorm van onderzoek
kleven nadelen. Ze gaat gepaard met ongemak
voor de onderzochte personen en geeft een kleine
kans op complicaties. Bij 1 a 2% kunnen bloedingen
optreden. Dit risico is niet bevorderlijk voor
de acceptatie van de test onder de bevolking.
Daarbij komt dat overbehandeling dreigt, omdat slechts 5% van de gesignaleerde adenomen ooit
kwaadaardig wordt. Aan de beperkte capaciteit
voor het verrichten van colonoscopieen komt op
den duur waarschijnlijk een eind. Half januari
heeft het Universitair Medisch Centrum in
Utrecht de eerste nurse-endoscopist afgeleverd.
Deze verpleegkundige kan in een dagdeel acht
beperkte sigmoidoscopieen uitvoeren. De komst
van meer nurse-endoscopisten zal de capaciteit
vergroten en bijdragen aan beheersing van de kosten. Virtuele colonoscopie met een CT-scan kent
een hoge sensitiviteit en specificiteit voor adenomen
groter dan 1 cm, maar voor kleine afwijkingen
of zogenoemde vlakke adenomen is de gevoeligheid
lager.
Enkele universitaire onderzoeksinstituten,
zoals in Leiden, Maastricht en Amsterdam, werken
aan de ontwikkeling van DNA-analyse van
faeces of bloed. Het VUmc bijvoorbeeld onderzoekt
veranderingen op chromosomoom 8, 13 en
20 als markers voor carcinomen. Voordat deze
vorm van analyse geschikt is voor toepassing bij
grootschalig bevolkingsonderzoek, zijn we jaren
verder. Dat geldt nog sterker voor analysemethoden
op basis van proteomics: de studie naar de
structuur en werking van eiwitten.
ONTWIKKELING IN DE PRAKTIJK
In zijn inleiding op het symposium van
24 februari stelde prof. G.A. Meijer dat de beste
standaardmethode zich in de praktijk moet ontwikkelen.
"Uiteindelijk zal het waarschijnlijk uitdraaien
op een combinatie van biologische testen
en beeldvormende technieken. We hebben het
dan over respectievelijk geavanceerd faeces- of
bloedonderzoek en over colonoscopie. Bij de
voortgang van de technische mogelijkheden zal
steeds via slimme besliskundige strategieen de
beste combinatie worden gekozen. Het opschalen
van de tests kan gebeuren op basis van redelijk
objectieve criteria. Uitgangspunt is immers de
positieve en negatieve voorspellende waarde van
de tests en die hangt af van hun sensitiviteit en
specificiteit in combinatie met de prevalentie van
de afwijking in de onderzochte populatie. En
natuurlijk spelen factoren mee als de belasting
voor de client en de kosten van het screeningsonderzoek.
Het doel op korte termijn is het realiseren
van de 20% reductie van sterfgevallen die
FOBT mogelijk maakt. We hebben het dan
over circa 750 mensenlevens per jaar, en dat is in
feite nu al haalbaar. Op middellange termijn moeten
we zo snel mogelijk de resterende 80% aanpakken."
Screening op dikkedarmkanker
Als het niet perfect kan,dan doen we het
simpel
SINDS HET NVGE-CONGRES VAN SEPTEMBER 2003 OVER SCREENING
OP DIKKEDARMKANKER IS VEEL GEBEURD. DE CONCLUSIE TOEN
WAS DAT INVOERING VAN GROOTSCHALIG BEVOLKINGSONDERZOEK
NOODZAKELIJK IS, ALLEEN DE EENSGEZINDHEID OVER DE MANIER
WAAROP ONTBRAK. SINDSDIEN IS HET BESEF GEGROEID DAT MEN ZICH
BETER EERST KAN RICHTEN OP HET HAALBARE EN PAS DAN OP HET
IDEALE. HET EERSTE PROEFPROJECT GAAT DIT JAAR VAN START.
Dat eerste screeningsproject is van dr. Joep Bartelsman (Academisch
Medisch Centrum, Amsterdam) en dr. Robert Laheij (Universitair
Medisch Centrum, Nijmegen). Zij kregen in de laatste week van
2004 een subsidie van 750.000 euro toegewezen door ZonMW. Deze instantie
beoordeelt namens het Ministerie van VWS de subsidieaanvragen in de
zorg. In het kader van het onderzoek zullen 20.000 mensen in de leeftijdsgroep
50-74 jaar worden opgeroepen voor een 'Faeces Occult Bloed Test'
(FOBT). Als sprake is van (voorlopers van een) coloncarcinoom, kan dat bij
de FOBT blijken uit spoortjes bloed in de ontlasting. "Dat de pilot doorgaat,
is zeker. We wachten alleen nog op de formele toestemming van het Ministerie
van VWS", aldus Robert Laheij. "Maar ik verwacht zeker dat we later dit
jaar aan de slag kunnen. Dat is ook wel nodig, want de subsidieverstrekker
stelt als voorwaarde dat we binnen twee jaar de resultaten op tafel leggen.
Onze bevindingen zullen mede bepalen welke vorm de landelijke screening
krijgt. De start daarvan is gepland voor 2007."
Een tweede screeningsproject volop in voorbereiding is dat van prof. dr.
Ernst Kuipers van het Erasmus MC in Rotterdam. Hij wil in Zuidwest-
Nederland alle inwoners vanaf 50 jaar oproepen voor een onderzoek op basis
van colonoscopie. "Vanaf 2006 hopen we van start te gaan om op termijn
50.000 mensen te kunnen oproepen", aldus Kuipers. "We werken nu aan een
businessplan samen met partners als het Integraal Kankercentrum
Rotterdam."
PRAKTISCHE AANPAK
Het Amsterdams/Nijmeegse en het Rotterdamse project
zijn gebaseerd op twee totaal verschillende screeningsmethoden.
Het onderzoek naar bloed in faeces (FOBT) is
de minst betrouwbare van de twee. In 40 tot 60 procent van
de gevallen zit de uitslag er positief of negatief naast. Dat
kan leiden tot onzekerheid bij de patient. Tegen deze
gebrekkige sensitiviteit van FOBT staat dat deze test wel de
enige methode is waarvan de effectiviteit bij screening
wetenschappelijk is vastgesteld. Bij invoering op landelijke
schaal kan FOBT-screening jaarlijks circa 750 overlijdensgevallen
schelen. Bovendien is de test voor de clienten minder belastend dan
onderzoek op basis van colonoscopie.
Met de subsidieverstrekking aan het project van Bartelsman en Laheij nam
ZonMW een voorschot op de besluiten die 4 en 5 februari 2005 zijn genomen
tijdens een zogenoemde consensusbijeenkomst, georganiseerd door datzelfde
ZonMW en het KWF. Daaraan namen meer dan honderd vertegenwoordigers
van de betrokken partijen deel, van MDL-artsen tot zorgverzekeraars.
De consensus die men bereikte, komt erop neer dat inmiddels voldoende
bekend is over het natuurlijk beloop van dikkedarmkanker. Er zijn
adequate behandelingsopties beschikbaar en het nut van screening is groter
dan de risico's. De vraag is dan ook niet langer of de bevolking moet worden
gescreend, maar hoe dat moet gebeuren. Wachten op de ideale methode,
waarschijnlijk met behulp van genetische markers in de ontlasting, is onwenselijk.
Het kan jaren duren voordat de effectiviteit van nieuwe testen is bewezen,
terwijl nu al vaststaat dat ten minste een bestaande test, de FOBT, de
sterfte als gevolg van dikkedarmkanker kan verminderen. FOBT is niet perfect,
maar biedt de mogelijkheid logistieke en operationele aspecten te testen.
Simpel beginnen en gaandeweg zoeken naar de beste aanpak, dat is de
insteek. Gezien de snelle ontwikkeling van de testen is het belangrijk dat
nieuwe technieken tijdig kunnen worden geevalueerd en snel kunnen worden
ingevoerd.
REGIONALE PROEFCENTRA
Dat testen en invoeren van nieuwe technieken moet gebeuren via regionale
proefcentra. De inrichting van dergelijke centra is een aanpak die wordt
bepleit in het rapport Vroege opsporing van dikkdarmkanker; Minder sterfte door
bevolkingsonderzoek. Dit rapport is opgesteld door de werkgroep 'Screening op
Dikkedarmkanker' van de Signaleringscommissie Kanker (SCK) van KWF
Kankerbestrijding. Het rapport is op 5 oktober 2004 overhandigd aan de
Vaste-Kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De werkgroep is
van mening dat effectieve invoering van bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker
niet mogelijk is binnen de huidige kanalen van
de gezondheidszorg. Centrale regie door de rijksoverheid is
nodig voor de organisatie en de latere uitbouw van de
screening tot een landelijk dekkend bevolkingsonderzoek.
Als de rijksoverheid niet het voortouw neemt, zal dat leiden
tot een sterke toename van 'opportunistische screening'.
Mensen nemen dan zelf het intiatief voor een test waarbij ze
gebruikmaken van de reguliere zorg, die daardoor verder
wordt overbelast. Om dat te voorkomen kan de screening
het best plaatsvinden in aparte centra met eigen personeel
en eigen middelen. Navraag bij het Ministerie van VWS
leert dat de minister naar verwachting dit voorjaar zijn officiele
standpunt over screening van dikkedarmkanker naar
buiten zal brengen.
Genetische predispositie voor dikkedarmkanker en de rol
van de macrofaag
BEVOLKINGSONDERZOEK NAAR DIKKEDARMKANKER STAAT MOMENTEEL
VOLOP IN DE AANDACHT. NAAR VERWACHTING KAN DE MORTALITEIT
AAN DARMKANKER AANZIENLIJK WORDEN GEREDUCEERD DOOR
COLONTUMOREN IN EEN VROEG STADIUM VAN ONTWIKKELING TE
DETECTEREN. DE KANS OP HET ONTSTAAN VAN DIKKEDARMKANKER
WORDT BEINVLOED DOOR EEN COMBINATIE VAN ERFELIJKE FACTOREN
(GENETISCHE PREDISPOSITIE) EN OMGEVINGSFACTOREN (DIEET,
LICHAAMSBEWEGING ET CETERA).
De invloed van erfelijke factoren op familiaire vormen van darmkanker,
zoals familiaire adenomateuze polypose (FAP) en hereditair
nonpolyposis colorectaal carcinoom (HNPCC), is evident. Mensen
met deze aandoeningen zijn drager van een relatief zeldzame variant van
een bepaald gen, waardoor de eerste stap in het multi-stapsproces van tumorontwikkeling
reeds voor de geboorte is gezet. Ze hebben dan ook een sterk
verhoogde kans van wel 60 tot 100% om coloncarcinoom te ontwikkelen
('hoge penetrantie'). Naar schatting speelt familiaire aanleg voor dikkedarmkanker
bij circa 10% van alle patienten een belangrijke rol. Daarentegen is de
invloed van genetische predispositie op het ontstaan van de circa 90% nietfamiliaire,
sporadische gevallen van darmkanker veel minder evident. In
tegenstelling tot familiaire kanker is er niet sprake van een gen met een sterk
effect, maar van vele genen met een ogenschijnlijk beperkt verhoogd risico
op het ontstaan van colontumoren ('lage penetrantie'). De efficientie van
screening voor darmkanker zal sterk verbeteren als we ook in staat zijn om de
erfelijke predispositie voor sporadisch colorectaal carcinoom mee te wegen.
Bovendien zal kennis van de functie van genen die de kans op tumorontwikkeling
beinvloeden, de zogenaamde tumorgevoeligheidsgenen, nieuwe
mogelijkheden opleveren om patienten 'op maat' te behandelen.
ZWAKKE GENEN, STERKE EFFECTEN
In eerste instantie lijkt het niet zinvol geld en energie te steken in een
poging om 'zwakke' tumorgevoeligheidsgenen (verder afgekort tot TGGs) te
identificeren, genen wiens bijdragen aan het risico op darmkanker niet herkenbaar
zijn als familiair overerfbare patronen. Echter, niet het effect van een
enkel TGG, maar juist het effect van een combinatie van vele TGGs bepalen
of iemand een verhoogde kans heeft om tumoren te ontwikkelen. De effecten
van al deze TGGs tezamen zijn aanzienlijk, zo blijkt uit studies naar genetische
predispositie voor sporadische borstkanker. Maar liefst 88% van alle
tumoren zal ontstaan in slechts de helft van de vrouwelijke bevolking met
verhoogd risico, waarbij de 20% hoogst-risicogroep een tot wel 40-voud verhoogd
relatief risico op borstkanker heeft dan de 20% laagst-risicogroep
(Pharoah et al. 2002). Vergelijkbare verschillen in genetische predispositie zullen
ook bestaan voor sporadische kankers van het maagdarmkanaal. Echter,
vanwege de grote variatie aan genetische en omgevingsfactoren binnen dehumane populatie is het bijzonder moeilijk om deze TGGs in de mens te
identificeren. Daarom wordt hiervoor de muis als modelsysteem gebruikt.
Door toepassing van combinaties van inteelt muizenstammen kan de genetische
en omgevingsvariatie drastisch worden gereduceerd en gecontroleerd.
Dergelijke studies hebben geresulteerd in de lokalisatie van meer dan 100 (!)
TGGs op het muisgenoom, waarvan inmiddels meer dan 15 TGGs voor
darmkanker. Belangrijker nog is de bevinding dat de effecten van de meeste
van deze TGGs veel groter zijn dan oorspronkelijk werd verwacht, vanwege
hun betrokkenheid bij complexe epistatische (elkaar versterkende) interacties
met andere TGGs. Met andere woorden: het risico op sporadische kankers
wordt niet bepaald door een enkel TGG (in tegenstelling tot het risico op
familiaire vormen van kanker), maar door een netwerk van genetische interacties
tussen vele TGGs. Het is dit netwerk van TGG-interacties dat grote verschillen
in genetische predispositie voor darmkanker bepaalt tussen verschillende
muizenstammen (Demant 2003). Gezien de grote genetische en biologische
gelijkenis tussen mens en muis denken we, dat ook in de mens genetische
predispositie voor kanker grotendeels wordt bepaald door complexe netwerken
van TGG-interacties. Aan genetici de taak om deze netwerken te ontrafelen.
MACROFAGEN EN DIKKEDARMKANKER
Het ontdekken van de chromosomale positie van TGGs is slechts de eerste
stap in een bewerkelijk en langdurig traject, dat moet leiden tot hun identificatie
en opheldering van hun biologische rol bij het ontstaan van kanker.
Het kleine aantal TGGs dat daadwerkelijk is geidentificeerd, staat dan ook in
schril contrast tot het grote aantal wiens chromosomale positie in de afgelopen
tien jaar is gelokaliseerd. Echter, identificatie van enkele TGGs is voldoende om ons gericht de vraag te stellen welke biologische processen door
netwerken van TGGs kunnen worden beinvloed. Eén van de darmkanker-
TGGs in de muis blijkt een enzym te zijn dat wordt uitgescheiden tijdens
ontstekingsprocessen, het zogenaamde secretory phospholipase A2 (sPLA2).
Identificatie van dit gen als darmkanker-TGG duidt op de betrokkenheid van
ontstekingsprocessen bij de ontwikkeling van darmtumoren. Op zichzelf is
dit geen schokkend nieuws, want de invloed van (chronische) ontstekingen
op de ontwikkeling van tumoren is al decennia lang een welbekend gegeven.
Bovendien worden non-steroidale anti-inflammatoire drugs (NSAIDs) reeds
in de kliniek toegepast om de incidentie en progressie van familiaire vormen
van darmkanker te reduceren. Nieuw is echter het besef dat we ook genen
moeten bestuderen die niet functioneren in de kankercellen maar in de cellen
van het omgevende weefsel, het stroma. Dit stroma bevat onder andere
bindweefselcellen, bloedvatcellen en een scala aan ontstekingscellen. In dit
opzicht verdient de macrofaag bijzondere aandacht, omdat macrofagen zowel
een cruciale rol spelen bij het medieren van ontstekingsprocessen alsook veelvuldig
geassocieerd zijn met tumoren.
GROTE ETERS
Macrofagen zijn de 'grote eters' van ons immuunsysteem, die overal in
ons lichaam vertegenwoordigd zijn om te 'proeven' hoe het met ons is
gesteld. Enerzijds ruimen ze de cellen van ons lichaam op die geprogrammeerd
waren om af te sterven (apoptotische cellen), waarbij anti-inflammatoire
signaalmoleculen worden uitscheiden om (ongewenste) ontstekingsreacties
te onderdrukken. Anderzijds herkennen ze lichaamsvreemde pathogenen
die vervolgens worden opgegeten en afgebroken, terwijl tegelijkertijd
pro-inflammatoire signaalmoleculen worden uitgescheiden om een
(gewenste) ontstekingsreactie op te wekken. Deze diversiteit aan functies stelt
de macrofaag in staat om een haat-liefdeverhouding met tumorcellen aan te
gaan. Zo kunnen macrofagen reactieve moleculen produceren die gebruikt
worden om tumorcellen te vernietigen, terwijl ze tegelijkertijd het adaptieve immuunsysteem (T- en B-cellen) motiveren om tumorcellen aan te vallen.
Omgekeerd zijn tumorcellen in staat om macrofagen te dwingen hen te helpen,
bijvoorbeeld door de proliferatie van tumorcellen te stimuleren, de aanmaak
van nieuwe bloedvaten te bevorderen, en het adaptieve immuunsysteem
te onderdrukken.
HYPOTHESE
Deze gegevens hebben geleid tot de hypothese dat genetische variatie in
het verloop van ontstekingsprocessen mede bepalend is voor verschillen in
tumorgevoeligheid, een hypothese die we hebben getoetst door de genetica
van inflammatoire eigenschappen van macrofagen te bestuderen. Deze studie
heeft geresulteerd in de chromosomale lokalisatie van drie macrofaaggenen,
de zogenoemde Marif-genen. Deze genen hebben een effect op de mate
waarin verscheidene pro-inflammatoire signaalmoleculen door geactiveerde
macrofagen worden uitgescheiden (Fijneman et al. 2004). Interessant genoeg
liggen twee van deze genen in chromosomale gebieden waar tevens darm-
TGGs en gevoeligheidsgenen voor de inflammatoire darmaandoening colitis
zijn gelokaliseerd. Verder onderzoek richt zich nu op identificatie van deze
Marif-genen, wat zal uitwijzen of er inderdaad sprake is van een gen dat vanwege
zijn algemene functie in het medieren van ontstekingsprocessen zowel
de gevoeligheid voor colitis als voor darmkanker beinvloedt. Identificatie van
zo'n gen koppelt het moleculaire netwerk van ontstekingsreacties in macrofagen
aan darmtumorgevoeligheid en verschaft ons inzicht in de manier waarop
het netto-effect van het netwerk van TGGs die ontstekingsreacties beinvloeden,
in de mens kan worden gedetecteerd. Op deze wijze zullen we uiteindelijk
beter kunnen bepalen wie met welke frequentie voor screening voor
darmkanker in aanmerking moet komen vanwege een verhoogd risico, en
tevens kunnen voorspellen of een individu veel of weinig baat heeft bij het
slikken van NSAIDs om de kans op darmkanker te reduceren.
Gerrit A. Meijer en Remond J.A. Fijneman
VUMC, Afdeling Pathologie
Correspondentie per e-mail: RJA.Fijneman@vumc.nl
LITERATUUR
Pharoah PD et al., Nat Genet. 2002; 31:33-36. Demant P, Nat Rev Genet. 2003; 4:721-734.
Fijneman RJA et al., Cancer Res 2004; 64:3458-3464.
Dikkedarmkanker: 15 tot 20% minder
sterfte door bevolkingsonderzoek
Citaat uit het rapport Vroege opsporing van (voorstadia van) dikkedarmkanker
door bevolkingsonderzoek van de Signaleringscommissie Kanker (SCK) van
KWF Kankerbestrijding:
"Vroege opsporing van (voorstadia van) dikkedarmkanker door bevolkingsonderzoek
zal naar verwachting leiden tot minder sterfte, waarbij een reductie
van 15 tot 20% (ofwel 750 sterftegevallen) op dit moment haalbaar wordt
geacht."
Oratie prof. dr. Melvin Samsom in Utrecht
Digestivist komt eraan!
Zijn voorlopige soortnaam is Digestivist
en hij is een geslaagde kruising van een
MDL-arts met een gastro-intestinaal
chirurg. Prof. dr. Melvin Samsom introduceerde
de nieuwe 'species' tijdens zijn oratie in Utrecht
op 18 januari. Na Otto ten Thije en Gerard van
Berge Henegouwen is Melvin Samsom de derde
die de klinische leerstoel Gastro-enterologie aan
de faculteit Geneeskunde in Utrecht bezet.
Samsom schetste in zijn oratie een breed beeld
van het vakgebied maag-darm-leverziekten. Zo
stond hij uitvoerig stil bij het screenen van de
bevolking op voorlopers van dikkedarmkanker.
Hij besteedde aandacht aan opleidingen, aan de
toekomstige rol van de endoscopieverpleegkundige
en de IBD-verpleegkundige; hij sprak over
multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek en
over een efficientere organisatie van de MDLzorg.
MAGMA koos uit de oratie twee belangrijke
thema's: het ineenvloeien van het werk van de
MDL-arts en dat van de gastro-intestinaal chirurg
en de consequenties van nieuwe genetische
inzichten bij de behandeling van functionele
maagdarmziekten.
MDL-ARTS EN CHIRURG
Het vakgebied MDL ontwikkelt zich in hoog
tempo. Samsom: "Door de recente invoering van
endoscopen die in plaats van de normale 8 maal
vergroting tot 80 maal de beelden vergroten, zijn
we in staat om nagenoeg histologische diagnostiek
te bedrijven. Deze technieken zullen vooral van
waarde zijn bij het opsporen van afwijkingen die
tot kankervorming kunnen leiden. Daarnaast
heeft de endo-echografie zijn plaats gekregen in
de diagnostiek van patienten met kanker binnen
of buiten het maagdarmkanaal. Met endo-echografische
technieken kunnen puncties worden
verricht met als doel de aard en uitgebreidheid van
processen in kaart te brengen. Hierdoor kan de
therapie voor de individuele patient zoveel mogelijk
op maat worden gesneden.
Daarnaast is er een ontwikkeling gaande op
therapeutisch-endoscopisch gebied met een ongekende
potentie. De endoscopische chirurgie is een
richting die zich de komende jaren sterk zal ontwikkelen.
Een start werd gemaakt met endoscopische
hechttechnieken. De eerste experimenten
worden inmiddels al verricht om endoscopisch verbindingen aan te leggen tussen de maag en de
dunne darm. Of om tumoren in het maagdarmkanaal
te verwijderen en de wond die daardoor ontstaat,
endoscopisch te hechten. Recent werd er
zelfs melding gemaakt van een transgastrische
appendectomie: de blinde darm werd met succes
via de maag verwijderd nadat de MDL-arts in de
maagwand een opening had gemaakt. Er zijn
inmiddels meer studies over endoscopische benadering
van de vrije buikholte."
"Gastro-enterologie en gastro-intestinale chirurgie
naderen elkaar. Gastro-intestinale chirurgen
opereren steeds minder traumatisch door de invoer
van minimaal-invasieve laparoscopische technieken.
Terwijl maag-, darm- en leverartsen steeds
invasiever kunnen werken via het maagdarmkanaal."
Samsom wees erop dat in Utrecht MDL-artsen
en GI-chirurgen al zeer nauw samenwerken.
"In de analyse en behandeling van de ziektebeelden
groeien de samenwerkende artsen naar elkaar.
Wellicht is het tijd om na te denken over een
gemeenschappelijke opleiding, niet tot een gastrointestinaal
chirurg of MDL-arts, maar een digestivist.
Een specialist op het gebied van maag-, darmen
leverziekten die de vaardigheden heeft om laparoscopisch
en endoscopisch in te grijpen."
GENEN EN FUNCTIONELE AANDOENINGEN
Samsom stond uitvoerig stil bij de genetische
factoren die een rol spelen bij functionele maagdarmklachten;
dat wil zeggen klachten waarbij
geen slijmvlieslaesies zijn waargenomen, noch
tumoren of andere afwijkingen die de klachten
kunnen verklaren. Uit onderzoek blijkt dat veranderingen
in de motoriek en gevoelsfunctie van het
maagdarmkanaal vaak een belangrijke rol spelen.
De vraag is in welke mate die veranderingen
optreden onder invloed van externe factoren zoals
een ander eetpatroon (nurture), onder invloed van
genetische verschillen (nature).
"Recente studies naar het voorkomen van gastro-
oesofageale refluxziekte in een grote populatie
een- en twee-eiige tweelingen toonde de genetische
component aan bij refluxziekte. Populaties
van een- en twee-eiige tweelingen vormen waardevol
patientenmateriaal, omdat twee-eiige tweelingen
ongeveer de helft van het erfelijke materiaal
delen, terwijl een-eiige tweelingen het volledige
erfelijke materiaal gemeen hebben. Deze studies
laten zien dat genen een belangrijke bijdrage leveren
bij het ontstaan van refluxziekte. En onderzoek
naar de specifieke genen betrokken bij de
refluxziekte is in volle gang. Gastro-oesofageale
refluxziekte kan dus afhankelijk van het pathofysiologische
mechanisme onderverdeeld worden in
verschillende subgroepen, waarbij waarschijnlijk
variaties in meerdere genen betrokken zijn.
ZUURREMMING
De standaardbehandeling van refluxziekte is
het remmen van de zuurproductie in de maag. De
effectiviteit van deze zuurremmende therapie is
afhankelijk van een variatie in het gen dat voor het
enzym codeert dat dit geneesmiddel afbreekt.
Variaties in het erfelijke materiaal hebben dus niet
alleen invloed op het ontstaan van de ziekte, maar
ook op het effect van geneesmiddelen. Het farmarcogenetische
onderzoek dat zich hiermee
bezighoudt, zal zonder enige twijfel van grote
invloed zijn op de behandelingwijze in de toekomst.
Meer en meer zullen wij worden geconfronteerd
met ziektebeelden die niet een ziektebeeld
blijken te zijn. De behandeling van het ziektebeeld
moet worden aangepast aan de dominante
oorzaak. Hierbij moeten we rekening houden met
de manier waarop de individuele patient omgaat
met het toegediende medicament. Diagnostiek en
behandeling op maat gesneden."
'Sneller beter': aandacht voor
ondervoeding bij ziekte
"Het hoort nu eenmaal bij het ziektebeeld." Dat is in de geneeskunde
lang de standaardreactie geweest als lichamelijke functies achteruitgingen
als gevolg van onvoldoende voeding. Inmiddels zou
iedere professional beter moeten weten.
De overgang van 'gezond' naar 'ziek' brengt in het lichaam processen
op gang die sterk te maken hebben met de inname van voeding. Er
is een minder efficiente benutting van de opgenomen hoeveelheid
voedingstoffen, in het bijzonder eiwitten. Een verminderde inname aan
essentiele voedingstoffen leidt dan tot ziektegerelateerde ondervoeding die de
genezing bemoeilijkt. Bij tumoren bijvoorbeeld reageert het lichaam beter op
therapie bij een juist aanbod van voedingstoffen, in het bijzonder eiwit en
energie.
In de afgelopen 25 jaar is het belang van interventie door voeding tijdens
behandeling van zieke mensen steeds meer onderschreven. Nieuwe technieken
worden toegepast om patienten te voeden die niet normaal kunnen eten.
Deze technieken maken de toediening van voedingstoffen beter hanteerbaar
dan bij orale voeding. De interesse voor deze nieuwe technieken bij verpleegkundigen,
medici en paramedici is doorgaans groter dan hun belangstelling
voor orale voeding.
In de 'prevalentiemeting decubitus en andere zorgproblemen' zijn in 2004
ook zes vragen meegenomen over ziektegerelateerde ondervoeding. De
resultaten (tabel 1) logen er niet om. Het probleem komt vaak voor.
Ook de Raad van Europa heeft onderzoek laten doen naar voedingszorg
in de Europese ziekenhuizen (Beck et al. 2002). Voor het doorbreken van de
vijf belangrijkste knelpunten (barrieres) zijn richtlijnen opgesteld. Ze zijn
kort samengevat in tabel 1.
Cora F. Jonkers-Schuitema, dietist, AMC Amsterdam
LITERATUUR
Beck AM et al; Clin Nutr. 2002; Aug; 21(4):351-4.
Tabel 1:Richtlijnen Raad van Europa voor voedingszorg in medische instellingen
| Knelpunt | Richtlijn |
| 1 | onduidelijke toedeling
verantwoordelijkheden | organisatie verbeteren
| | 2 | gebrek aan kennis bij alle disciplines | opleidingen verbeteren
| | 3 | te weinig invloed van de patient | maaltijd individueel en flexibel;
extra's bestellen
| | 4 | gebrek aan samenwerking | 'voedselketen' introduceren en
samenwerking verbeteren
| | 5 | geringe betrokkenheid management | voeding is deel van de
zorg, geen hotelservice
|
| Tabel 2:Prevalentiemeting decubitus en andere zorgproblemen 2004 |
Academisch
Ziekenhuis | Aantal patienten
1.923 |
Ondervoeding (%)*
33,4 |
| Algemeen Ziekenhuis | 10.457 | 29,5 |
| Verpleeghuis | 10.113 | 25,7 |
| Verzorgingshuis | 2.084 | 17,8 |
| Thuiszorg | 4.065 | 26,3 |
| Revalidatiecentra | 226 | 28,6 |
| Inst. verstandelijk gehandicapten248 | 13,3 |
| Psychiatrisch ziekenhuis | 75 | 19,7 |
| |
* Ondervoeding gedefinieerd als: >10% ongewenst gewichtsverlies in zes maanden
of >5% ongewenst gewichtsverlies afgelopen maand.
Sinds 2003 loopt het project 'Sneller Beter' van het Ministerie
van VWS. Doel is het bevorderen van een snelle en betere patientenzorg.
Ziektegerelateerde ondervoeding was in dit project niet
opgenomen als aandachtspunt. De NVD (Nederlandse Vereniging
van Dietisten) en NESPEN (Netherlands society clinical nutrition
and metabolism) hebben hierover contact opgenomen met het
ministerie. Inmiddels zijn afspraken gemaakt over de aansluiting
van het al langer lopende project 'Wie beter eet wordt sneller
beter' bij het bredere project 'Sneller Beter'. Deze afspraken worden
de komende maanden geconcretiseerd. Een multidisciplinaire
stuurgroep, bestaande uit deskundigen op het gebied van (klinische)
voeding en de beroepsorganisaties, zal hierover adviseren.
De stuurgroep staat onder voorzitterschap van prof. dr.
Chris Mulder (VUmc).
| Voor informatie over dit project:
Ellen H.A. van der Heijden,
projectcoordinator 'Wie beter eet wordt
sneller beter', PIT Actief,
ellen.vander.heijden@pitactief.nl. |
|
Lustrumcongres Nederlandse Coeliakie Vereniging
In 2005 bestaat de Nederlandse Coeliakie Vereniging (NCV)
30 jaar. De NCV viert dit lustrum op 23 april 2005, onder andere
met een wetenschappelijk congres in het VUmc onder voorzitterschap
van prof. dr. Chris Mulder (VUmc). Onderwerpen die aan
bod komen, zijn onder meer: New genes in Coeliac Disease,
Small bowel immunohistology in practice en Bone marrow transplantation
for Coeliacs. Gastspreker uit de VS is dr. P. Green
(Diagnosis of Coeliac Disease in the USA). Meer informatie over
het programma is te verkrijgen via email: cjmulder@vumc.nl.
De NCV organiseert op dezelfde dag tevens uiteenlopende activiteiten
voor leden en niet-leden in het hoofdgebouw van de Vrije
Universiteit te Amsterdam. Zie ook: www.coeliakieverening.nl.
Allergiebeurs
In de Doelen in Rotterdam vindt op zaterdag 21 en zondag
22 mei 2005 de Allergiebeurs plaats.
Eén van de sessies zal volledig gericht zijn op coeliakie en ook
zal het belang van gezonde voeding aan bod komen.
Meer informatie over de beurs staat op de site:
www.allergiebeurs.nl.
Onderwijsdagen arts-assistenten
Alle arts-assistenten (op drie na) in opleiding tot MDL-arts hebben in Lunteren deelgenomen
aan de eerste onderwijsdagen voor arts-assistenten MDL. Het doel was om in tegenstelling tot
het steeds grootschaliger cursorisch onderwijs in een relatief klein gezelschap een selectie
van onderwerpen te bediscussieren. Kleinschalig en interactief, dat zijn de kenmerken van de
onderwijsdagen.
Onder auspicien van Chris Mulder en Peter Jansen was er een intensief programma opgesteld
waaraan elke academische regio een actieve bijdrage leverde. Gekozen was voor een format
waarbij naar aanleiding van een casus gediscussieerd werd onder leiding van een terzakekundige
moderator. Naar aanleiding van de casus werden vervolgens twee kleinere onderwerpen
in detail besproken door twee andere assistenten uit dezelfde regio. Ieder besproken
onderwerp werd afgesloten met een state-of-the-art lecture door een van de moderatoren.
De eerste dag stond in het teken van het pancreas en voeding. Op het programma stonden
acute en chronische pancreatitis, pancreascarcinoom en short bowel-syndroom. Als moderatoren
traden op Marco Bruno en Ton Naber.
Pathologie van slokdarm en maag kwamen de tweede dag aan de orde. De onderwerpen
Barrett's oesophagus, NHL en MALT-lymfomen, maagcarcinoom en intestinale metaplasie van
de maag werden besproken. Moderatoren waren Peter Siersema en Joep Bartelsman. De discussie
stond onder leiding van Peter Jansen.
Een samenvatting van de evaluatieformulieren leert dat alle deelnemers zonder uitzondering
enthousiast zijn, dit onderwijs als een goede aanvulling op het bestaande onderwijs zien en
het voor herhaling vatbaar vinden.
Namens de onderwijscommissie,
Rutger Quispel
Monique van Leerdam
Verstikkende regelgeving grootste knelpunt
Nederlanders somber gestemd over medisch-wetenschappelijk onderzoek
Het gaat niet goed met het medisch-wetenschappelijk
onderzoek in Nederland. Door
de verstikkende regelgeving raakt ons land
internationaal achterop. Dat zeggen Nederlandse
onderzoekers en het publiek in een
enquete van TNS-NIPO die medio december
werd gepresenteerd op het Clingendael
Health Forum, georganiseerd door de farmaciecommissie
van de Amerikaanse Chamber
of Commerce. TNS-NIPO ondervroeg
240 medisch- wetenschappelijke onderzoekers
en peilde de mening van 1000 Nederlanders.
De Chamber of Commerce ondervroeg
leden van de grootste fracties in de Tweede
Kamer en concludeerde dat een meerderheid
onverkort vasthoudt aan de regels rond
dierexperimenteel onderzoek; genetische
modificatie en onderzoek met patienten.
Uit de enquete blijkt dat onderzoekers ruim
15% van hun werktijd kwijt zijn aan het aanvragen
van de noodzakelijke vergunningen
en aan vergaderen. Ze hebben de indruk dat
de regeldruk de laatste vijf jaar flink is opgelopen
en dat dit ten koste is gegaan van de
Nederlandse onderzoekspositie. Veel onderzoekers
zeggen dat zij, als ze opnieuw
moesten kiezen, weer medisch-wetenschappelijk
onderzoek zouden gaan doen, maar
dan bij een buitenlandse onderzoeksinstituut.
De Nederlandse onderzoekers geven, net
als het publiek, prioriteit aan onderzoek naar
veel voorkomende, chronische ziekten die
nu niet of niet goed behandelbaar zijn, zoals
Alzheimer en diabetes. Ook veel voorkomende
tropische ziekten, zoals malaria,
krijgen prioriteit.
De ondervraagde politici blijken op dit punt
wederom anders te denken: zij vinden dat
vooral onderzoek moet worden gedaan naar
geneesmiddelen voor zeldzame aandoeningen.
De Federatie van Medisch Wetenschappelijke
Verenigingen concludeert dat de politiek
ver afstaat van wat publiek en onderzoekers
willen. Ook vanuit de patientenorganisaties
werd zeer bezorgd gereageerd op de uitkomsten
van het onderzoek.
Het Peutz-Jegherssyndroom: kenmerken en diagnostiek
In Nederland zijn enkele tientallen families met het Peutz-Jegherssyndroom
(PJS) bekend. Het erfelijke syndroom wordt gekenmerkt
door de combinatie van abnormale pigmentvlekjes op lippen,
wangslijmvlies en vingers; hamartomateuze poliepen in de dunne darm,
dikke darm en maag; en verschillende vormen van kanker, zowel in als buiten
de tractus digestivus. Voor PJS-patienten wordt vanaf kinderleeftijd controle
door een kinder-MDL-arts en daarna door een MDL-arts aanbevolen.
Tabel 1:Belangrijkste kenmerken van het Peutz-Jegherssyndroom
| Overervingspatroon | Autosomaal dominant |
| Prevalentie | Zeldzaam, enkele tientallen families in Nederland bekend |
| Kliniek | Onschuldige pigmentvlekjes op de lippen en het
wangslijmvlies, bij uitzondering afwezig.
Vanaf de kinderleeftijd verschijnselen door
poliepen in de darm: buikpijn, acute buik (invaginatie),
prolaps van een rectumpoliep, rectaal bloedverlies,
anaemie; kans op short-bowelsyndroom door
dunnedarmresecties.
Op volwassen leeftijd hoge kans op uiteenlopende
vormen van kanker; de kans op kanker voor
STK11-mutatiedragers is ongeveer 60% tot de
leeftijd van 60 jaar |
| Genetische basis | STK11-gen op chromosoom 19p |
| DNA-diagnostiek | Kans op detectie van een pathogene mutatie circa 60% |
PJS IN NEDERLAND
In 1997 is het gen gevonden dat met de meeste Nederlandse PJS-families
is geassocieerd, het zogenaamde STK11-gen op chromosoom 19p. Erfelijkheidsonderzoek
en -voorlichting naar PJS vinden plaats in de regionale Poliklinieken
Familiaire Tumoren/Klinisch-Genetische Centra. De STK11-
mutatiediagnostiek wordt in Nederland verricht in het VUmc in Amsterdam
en in de Erasmus Universiteit Rotterdam. Families met PJS worden landelijk
geregistreerd bij de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren (StOET) in Leiden.
Nederlandse PJS-families hebben bijgedragen aan een recente internationale
studie naar het kankerrisico voor STK11-mutatiedragers (Lim et al.
2004). Enkele gegevens uit deze studie zijn in tabel 2 weergegeven. Mede op
basis van die gegevens zijn recent in de Nederlandse PJS-werkgroep van de
StOET de landelijke richtlijnen voor periodiek onderzoek bij PJS herzien
(zie tabel 4).
Tabel 2:Kankerrisico bij het Peutz-Jegherssyndroom ( Lim et al. 2004)
| Type kanker | Kankerrisico voor STK11-mutatiedragers bij de aangegeven leeftijd* |
| | 20 jr | 30 jr | 40 jr | 50 jr | 60 jr | 70 jr |
| Alle | 1% | 3% | 19% | 32% | 63% | 81% |
| Gastro-intestinaal | - | 1% | 10% | 18% | 42% | 66% |
| Borst | - | - | 8% | 11% | 32% | - |
| Gynaecologisch | - | 3% | 6% | 13% | 13% | - |
| Long | - | - | 1% | 2% | 7% | 7% |
DNA-DIAGNOSTIEK
Bij de patient met klinische verschijnselen van PJS kan de diagnose door
de klinisch-geneticus op DNA-niveau worden bevestigd door bloedonderzoek
te laten verrichten op mutaties in het STK11-gen. De klinisch-moleculair
geneticus verricht dit onderzoek, dat enkele maanden in beslag neemt. In
ongeveer 60% van de families ingestuurd voor DNA-diagnostiek wordt een
pathogene STK11-mutatie gevonden. Als geen mutatie wordt gevonden, kan
dat verschillende betekenissen hebben:
-
er is wel een mutatie in het STK11-gen, maar deze kan met de huidige technieken
niet worden aangetoond;
-
er is een mutatie in een ander nog onbekend gen, dat ook geassocieerd is met
PJS;
-
er is geen sprake van PJS, maar er is een andere oorzaak van de klinische verschijnselen.
Als een STK11-mutatie is aangetoond, kan vervolgens bloedonderzoek
bij verwanten plaatsvinden om na te gaan wie wel en wie geen drager is van
de aanleg voor PJS. In deze situatie heeft een negatieve DNA-uitslag bij een
familielid maar een enkele betekenis: het familielid heeft de aanleg voor PJS
niet geerfd. Een en ander is samengevat in tabel 3.
Omdat als regel de abnormale pigmentaties al bij de geboorte of op de
vroege kinderleeftijd aanwezig zijn, is klinisch de diagnose PJS meestal te stellen
zonder ondersteuning door DNA-diagnostiek. DNA-diagnostiek is
vooral van belang om de diagnose te onderbouwen in klinisch onduidelijke
gevallen.
patient met abnormale pigmentaties op lippen/wangslijmvlies en/of hamartomateuze
polyposis van het maagdarmkanaal, al dan niet met een positieve
familie-anamnese voor deze verschijnselen
Klinische verdenking op PJS, verwijzing naar een Polikliniek Familiaire Tumoren/
Klinisch Genetisch Centrum
Familieonderzoek: verzamelen en revisie van medische/ histologische gegevens
van de patient en van zijn/haar verwanten; DNA-diagnostiek naar een
STK11-mutatie
STK11-mutatie bij de patient gevonden :diagnose PJS bevestigd
Geen STK11-mutatie bij de patient
gevonden: geen onderbouwing
van de klinische diagnose; de
definitieve diagnose berust op de
klinische patient- en
familiegegevens
DNA-diagnostiek bij familelid:
Geen DNA-diagnostiek bij
verwanten mogelijk
STK11-mutatie aanwezig: aanleg voor PJS
STK11-mutatie niet aanwezig: geen aanleg voor PJS
Registratie van de familie met PJS (met al dan niet aangetoonde STK11-mutatie)
bij de StOET
De situatie kan onduidelijk zijn wegens variabele expressie: zo hebben
niet alle patienten met PJS-pigmentafwijkingen. Op de kinderleeftijd is het
van belang dat PJS-patienten bekend zijn in een gespecialiseerd centrum,
vooral voor situaties waarin acute buikverschijnselen optreden. Daarom verrichten
wij in de families met een STK11-mutatie al op de vroege kinderleeftijd
DNA-diagnostiek om de diagnose bij het jonge kind te kunnen
bevestigen of te kunnen uitsluiten. Ten slotte: niet alle pigmentaties op de lippen
wijzen op PJS; er zijn verschillende, deels onschuldige, oorzaken voor
lip-pigmentaties.
PREVENTIEVE MAATREGELEN
Op de kinderleeftijd wordt periodieke controle door de kinder-MDLarts
aanbevolen, op volwassen leeftijd door de MDL-arts. Bij acute buik is
opname in een gespecialiseerd centrum aangewezen. Er zijn uiteenlopende
aanbevelingen over periodieke controles gepubliceerd. Er zijn geen recente
studies waarin de waarde van screening is onderzocht.
De aanbevelingen van de Nederlandse PJS-werkgroep zijn weergegeven
in tabel 4.
Fred H. Menko, Johan J.P. Gille, Hans F.A. Vasen
Afdeling Klinische Genetica en Antropogenetica, VUmc, Amsterdam
en Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren, Leiden
Correspondentie: fh.menko@vumc.nl
| Beginleeftijd* |
Soort onderzoek |
Frequentie* |
| Kinderleeftijd | Algemene controle** | Jaarlijks
| | 18 jaar | Gastroscopie | 5-jaarlijks
| | 18 jaar | Dunnedarmfoto | 5-jaarlijks
| | 25 jaar | Colonoscopie | 3-jaarlijks
| | 35 jaar | Borstonderzoek; mammografie | Jaarlijks
| | 35 jaar | Gynaecologisch onderzoek; echoscopie | Jaarlijks |
Eerder en/of frequenter onderzoek bij klinische verschijnselen; preventieve of symptomatische
behandeling bij afwijkingen
** Zelden verschijnselen door hormoonproducerende testis- en ovariumtumoren
De refenties bij dit artikel kunt u vinden op www.mdl.nl.
Jan Peutz en Harold Jeghers
Jan Peutz werd geboren in 1886 en werkte in het begin van de vorige eeuw
als internist in het Westeinde Ziekenhuis in Den Haag. In 1921 publiceerde
hij in het Nederlandsch Maandschrift voor Geneeskunde zijn bevindingen:
"Over een zeer merkwaardige, gecombineerde familiaire polyposis van de
slijmvliezen van den tractus intestinalis met die van de neuskeelholte en
gepaard met eigenaardige pigmentaties van huid en slijmvliezen". Harold
Jeghers in Baltimore, die met Peutz contact had over deze publicatie, rapporteerde
in 1949 zijn bevindingen over tien patienten met dezelfde aandoening
in het New England Journal of Medicine, in twee artikelen over
"Generalized intestinal polyposis and melanin spots of the oral mucosa,
lips and digits". Verdere informatie over deze historie is te vinden bij Keller
et al. 2001.
|
|
Ingezonden brief
Maagzuurremmers en longontsteking
Met belangstelling lazen wij in MAGMA (december 2004) het nieuwsbericht over onze publicatie in
JAMA over de verhoogde kans op longontsteking tijdens het gebruik van maagzuurremmers.
Als belangrijkste bezwaar werd aangevoerd dat de berichtgeving (in de media – red.) 'kort door de
bocht' was en dat de kans op het oplopen van longontsteking tijdens het gebruik relatief klein was. Bovendien
geeft het artikel ten onrechte de interpretatie dat onder de (ex)gebruikers van zuurremmers in onze studie longaandoeningen,
hartaandoeningen en diabetes vaker voorkwamen dan onder de niet-gebruikers. Ook het commentaar
van E. van Vliet uit de onderzoeksgroep van de Rotterdamse MDL-arts Siersema, die concludeert dat
"het bekend is dat gastro-oesophageale reflux kan leiden tot pneumonie, zodat het vinden van pneumonie bij
personen die zuurremmers gebruiken, ook verklaard zou kunnen worden door het feit dat deze personen reflux
van maaginhoud hadden in de luchtwegen (gastric astma)" verdient nadere toelichting. Dit geldt eveneens voor
de opmerking "dat longontsteking en andere luchtweginfecties niet als bijwerking in de registratiestatistieken
van maagzuurremmers zijn opgenomen, ook niet na jarenlange ervaring en miljoenen patienten die er wereldwijd
mee zijn behandeld".
Het is jammer dat dit nieuwsbericht een artikel dat gepubliceerd is in een van de meest prestigieuze medische
tijdschriften, afdoet met "kort door de bocht". In zo'n geval zou het manuscript zeker niet het review-proces
van een dergelijk toptijdschrift hebben kunnen doorstaan. Wij zijn het met de berichtgever eens dat de kans
op longontsteking door gebruik van maagzuurremmers relatief klein is, maar we kunnen op een eenvoudige
manier uitrekenen dat er op grond van de door ons gepubliceerde gegevens in de observatieperiode toch ten
minste 3500 extra longontstekingen zijn opgetreden in Nederland door het gebruik van maagzuurremmers,
waaraan ten minste 150 patienten moeten zijn overleden (1).
Wij hebben vanzelfsprekend uiterst zorgvuldig gezocht naar een representatieve controlegroep om de kans
op longontsteking bij gebruikers van maagzuurremmers mee te vergelijken. Daarin zaten de 292 personen die
longontsteking kregen nadat ze met maagzuurremmers waren gestopt, maar verder wat betreft longaandoeningen,
hartaandoeningen en diabetes volstrekt vergelijkbaar waren met de patienten die ten tijde van de longontsteking
nog wel maagzuurremmers gebruikten. Deze 292 personen maakten dus geen onderdeel uit van het
cohort maagzuurremmergebruikers waarop onze gegevens zijn gebaseerd, zoals door de berichtgever wordt
gesuggereerd. Ook zijn wij het niet eens met de bewering dat gastric astma veroorzaakt wordt door reflux van
maaginhoud in de luchtwegen. Gastric astma zou mogelijk kunnen worden veroorzaakt door (micro)reflux, maar
ook het gevolg kunnen zijn van een reflexmatige reactie van het autonome zenuwstelsel tussen de slokdarm,
waarin op dat moment maaginhoud reflueert en de luchtwegen, dan wel van hyperreactiviteit. Kortom, het
exacte mechanisme is nog steeds niet bekend (2). Het is zelfs zo dat de, volgens de berichtgever "bekende relatie
tussen GERD en longontsteking", in twijfel wordt getrokken door de American Gastroentrological Association,
omdat deze onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd (3). Luchtweginfecties zijn inderdaad niet opgenomen
in de registratiestatistieken van maagzuurremmers. Toch is deze bijwerking bij navraag tien keer gemeld bij
de nationale registratiecommissie (Landelijke Registratie en Evaluatie van Bijwerkingen). Het zou naar onze
mening kunnen zijn dat er onvoldoende aan gedacht wordt om een betrekkelijk vaak voorkomende aandoening
als pneumonie, als bijwerking van een geneesmiddel te zien. Wij zijn het met James C. Gregor, schrijver van de
JAMA-editorial over ons artikel, eens dat artsen altijd waakzaam moeten zijn bij hun prescriptie en zeker bij
chronisch gebruik van waardevolle geneesmiddelen.
Tot slot vinden wij het jammer dat, in tegenstelling tot andere berichten in MAGMA, dit nieuws anoniem
werd gepresenteerd.
R.J.F. Laheij en J.B.M.J. Jansen
LITERATUUR
1. European Lung White Book 2003, pagina 58. ISBN 1-904097-30-8.
2. Shan-Ping J et al. World J Gastroenterol 2003; 9:1123-25.
3. www.gastro.org/edu/GERDmonograph.pdf.
NASCHRIFT REDACTIE
Nieuwsberichten in MAGMA zijn voor verantwoordelijkheid van de redactie en nooit ondertekend. Het
verwijt 'kort door de bocht' geldt niet de publicatie in JAMA, maar de vele publicaties in de algemene media
waarop patienten reageerden, zowel bij hun arts als bij de MLDS en de betrokken fabrikanten.
|
MDL-artsen Martini
verzetten zich vergeefs tegen
substitutie
De ziekenhuisapotheek van het Groningse
Martini Ziekenhuis levert generieke omeprazol
af, ook als de MDL-arts een ander middel
op het recept zet. De MDL-artsen van
het Martini Ziekenhuis hebben beargumenteerd
bezwaar aan getekend, maar ziekenhuis(
apotheek) en zorgverzekeraar zetten
door.
Het belangrijkste bezwaar van de MDL-artsen
tegen het 'blindelings' en ongevraagd
substitueren naar generiek omeprazol is,
dat hier gaat om een groep gecompliceerde
dyspeptische patienten voor wie betrouwbare
medicatie van groot belang is.
Een tweede bezwaar is dat de meeste generieke
omeprazol niet is voorzien van stevige
wetenschappelijke literatuur. Voorschrijven
van dergelijke medicijnen is in strijd met het
uitgangspunt van het Gronings Transmuraal
Formularium: wetenschappelijk bewijs is de
basis voor selectie van geneesmiddelen die
bij voorkeur worden voorgeschreven. De
Groningse MDL-artsen schreven in 99% van
de gevallen een van de vier zuurremmers
voor die een plaats hadden gekregen op het
GTF. Dit formularium is tot stand gekomen
in het kader van de Proeftuin Farmacie
samen met de MDL-artsen van het UMCG,
Martini Ziekenhuis, huisartsen, apothekers
en zorgverzekeraar.
De MDL-artsen van het Martini Ziekenhuis
beschouwen de 'generiek-affaire' als een
wezenlijke aantasting van het breed gedragen
Formularium. Ze verwachten echter dat
de zaak opnieuw aan de orde komt, nu het
eerste generieke omeprazol van de markt is
gehaald.
Het stoort de artsen ook, dat de gezondheidszorg
meer en meer gedreven wordt
door economische principes met resultaat
op korte termijn. Dat doet onrecht aan
inspanningen van de innoverende industrie,
die jarenlang veel geld beschikbaar heeft
gesteld voor onderzoek en nascholing,
waaruit vele opleidingsplaatsen en promovendi
zijn voortgekomen.
Michiel van Haastert,
Namens MDL-groep Martini Ziekenhuis
Groningen
|
|
Maken complicaties wijziging nodig?
Onrust over beleid bij
COX-2-remmers en NSAID's
Bij ongeveer 2-4% van alle NSAID- en
acetylsalicylzuur-gebruikers kan men
een maagzweer of zweer in de twaalfvingerige
darm verwachten, terwijl gevaarlijke
complicaties, zoals PUB's (Perforaties, Ulcera en
Bloedingen) bij ongeveer 1% gezien worden.
Recent onderzoek in eigen land heeft uitgewezen
dat de mortaliteit en morbiditeit bij PUB's van
maag en dunne darm in de afgelopen zeven jaar
niet zijn verminderd.
Er waren hooggespannen verwachtingen dat
de COX-2-selectieve remmers of COXIB's hierin
verbetering zouden brengen. Grote trials wezen
uit dat PUB's hiermee inderdaad tot ongeveer de
helft gereduceerd zouden kunnen worden. Helaas
is nu grote onrust ontstaan, eerst door het van de
markt halen door Merck van VIOXX
(Rofecoxib) en recent door een waarschuwing
van Pfizer voor haar preparaat CELEBREX
(Celecoxib) in verband met een verhoogde kans
op cardiovasculaire complicaties (CVC's).
Deze bijwerkingen komen niet geheel onverwacht.
COX-2-remmers geven immers, net als
conventionele NSAID's, aanleiding tot vochtretentie
en hypertensie. Ze kwamen aan het licht in
een aantal grote poliep- en coloncancerpreventietrials.
Dankzij de grote aantallen van enige duizenden
patienten bij poliep- en coloncancerpreventietrials
en dankzij de lange duur van twee tot
drie jaar kon de betekenis van het probleem
worden ontdekt. In de APC-preventiestudie
(n=2000) met Celebrex (gesponsord door het
NCI) bleek de frequentie van CVC's 0,9% bij
placebo, 2,2% bij 400 mg en 3,0% bij 800 mg
gebruik. Toen vlak voor de kerst bleek, dat een
van de meest verkochte en gewoon bij de drogist
verkrijgbare NSAID's, naproxen, ook een verhoogde
kans op CVC's geeft, zat de schrik er bij
menigeen dan ook goed in!
Hoewel deze veiligheidsaspecten, zoals
gezegd, niet geheel onverwacht in beeld zijn
gekomen, halen zij toch voor een deel de recent
opgestelde beleidsregels voor preventie van PUB's
bij NSAID's onderuit.
CORRECTIES NODIG?
In de laatste tien jaar zijn er vier landelijke
richtlijnen opgesteld voor maagklachten,
NSAID-gebruik en het beleid bij preventie en het
optreden van complicaties. Over de NHG-standaard standaard
'Maagklachten' uit 1996 kunnen we kort
zijn. Er werd daarin geen uitspraak gedaan over
enige vorm van preventie met maagbeschermende
middelen. Ook in het Gezondheidsraadrapport
'Maagklachten' uit 2000 werd hierover
niet veel gezegd (dit ging meer over HP-eradicatie).
De herziening van de NHG-richtlijn in 2003
volgt voor het beleid bij conventionele NSAID's
bijna geheel de CBO-consensus, ook uit 2003,
die meer duidelijkheid geeft. Hier werden maatregelen
ter preventie altijd aanbevolen in de populatie
boven de 70 jaar of met een voorgeschiedenis
van ulcera of complicaties. Preventie kon overwogen
worden bij de bekende risicogroepen en bij een
leeftijd van 60-70 jaar. Bij eerder doorgemaakt
ulcuslijden en NSAID-gebruik dient HP-diagnostiek
te worden ingezet en naar bevinden te
worden gehandeld. Het lijkt er wel op, dat eradicatie
tot een verlaagd risico voor PUB's leidt. Er is
echter nog wel reden tot twijfel op dit punt.
In de CBO-consensus werden COX-2-remmers,
PPI's en misoprostol als volledig vergelijkbaar
genoemd. Met dit laatste middel zijn de ervaringen
in het algemeen niet gunstig in verband
met de diarree die optreedt bij hogere doseringen
(400-800 mg). Mijns inziens moeten we nu
wegens de recent beschreven bijwerkingen ook de
plaats van de COX-2- selectieve remmers herzien.
Ik concludeer dan ook dat we voor 2005 zouden
moeten uitkomen op het volgende beleid.
Gebruik preventie boven de 60 jaar en dan in het bijzonder
bij de bekende risicogroepen. De toepassing
van een PPI voor maag-darmprotectie heeft
dan de voorkeur boven elke andere vorm van preventie.
Verscheidene PPI's zijn sinds kort ook officieel
voor deze indicatie geregistreerd.
Gerard van Berge Henegouwen,
MDL-arts UMC Utrecht
|
Zusje
De kapsalon van Yvonne in
het AMC is een populaire
ontmoetingsplaats van
patienten, collega's en excollega's,
die met het
hoofd onder de droogkap
of gewikkeld in zilverpapier
niet altijd direct te herkennen zijn.
Je hangt je witte jas in de kast, krijgt na een wasbeurt
een kop koffie, neemt plaats voor de spiegel
en valt na 'Hoe had je het deze keer gehad
willen hebben?' tijdens het knippen een beetje in
slaap.
Ik schrok wakker toen ik werd aangesproken
door een leuke jonge vrouw in doktersjas, die mij
de hand wilde schudden: "Ik had u al eerder willen
aanspreken om u ervoor te bedanken, dat u
mij achttien jaar geleden een zusje gegeven
heeft!"
Verbijsterd en vol onbegrip worstelde ik met de
mouwloze kapmantel en schudde haar in een
wolk van afgeknipte haren de hand. Wat kon er
gebeurd zijn? Ik kon natuurlijk gemakkelijk herinneringen
uit het verleden verdringen, maar zoals
prins Bernard was ik echt nooit geweest.
Gelukkig kwam er snel een verklaring: haar
ouders wilden indertijd nog een kind, maar
ondanks onderzoek en interventies op een infertiliteitsafdeling
was dat na acht jaar niet gelukt.
Haar vader zag ik toen voor een second opinion
op de polikliniek. Hij bleek wegens colitis
ulcerosa sulphasalazine te gebruiken. Nadat hij
op mijn advies op mesalazine was overgestapt,
werd haar moeder binnen enkele maanden
zwanger.
Sulphasalazine was al sinds de jaren veertig hét
medicament van keuze bij colitis ulcerosa, voordat
pas in 1979 (Levi A.J. et al., The Lancet)
bleek, dat het mannen ongewenst doch reversibel
onvruchtbaar maakte in meer dan 60% van
de gevallen.
We zullen nooit weten hoeveel meer burgers er
op de wereld zouden rondlopen, als deze bijwerking
eerder bekend was geweest.
"Het is nog een heel leuk zusje ook!" zei ze,
terwijl ik haar in de spiegel zag weglopen.
Met opgeheven hoofd liet ik mij verder behandelen.
|
Even stilstaan bij tien jaar MAGMA
Dr. Paul Fockens kreeg op 14 december 2004 het eerste exemplaar aangeboden van
MAGMA, jaargang 10, nummer 4. Fockens is voorzitter van het Nederlands
Genootschap van Maag-darm-leverartsen
ALTANA Pharma bv (voorheen Byk Nederland) maakt de uitgave van het eigen tijdschrift
van het Genootschap al tien jaar mogelijk, zonder enige inmenging in redactionele aangelegenheden.
Marketingmanager Paul Flapper van ALTANA Pharma bv benadrukte dat de
onderneming zal doorgaan met de ondersteuning van MAGMA, onderzoeksprogramma's,
symposia, congressen en cursussen. Maag-darm-leverziekten zijn een belangrijk aandachtsgebied
voor ALTANA Pharma bv. In de eerste editie van MAGMA schreef algemeen directeur
Dietrich Venn: "Als innovatief farmaceutisch bedrijf ziet Byk het als haar verantwoordelijkheid
om naast het op de markt brengen van farmaceutische specialites een positieve bijdrage
te leveren aan de wetenschappelijke know how en het klinisch handelen binnen het
vakgebied en zo mee te werken aan een optimale en economisch verantwoorde zorg voor de
patienten." Die visie geldt volgens Flapper nog steeds.
Paul Fockens bevestigt dat MAGMA zich een goede positie heeft verworven in MDLNederland.
Het tijdschrift wordt goed gelezen en heeft een duidelijke bijdrage geleverd aan
de verspreiding van kennis en de profilering van maag-darm-leverziekten als eigenstandig
specialisme.
|
Hepatitis B nu te genezen
patienten die lijden aan chronische hepatitis
B, kunnen dankzij het medicijn PEG-interferon
alfa nu genezen. Door de behandeling
wordt het immuunsysteem in de lever sterk
gestimuleerd om zelf het virus op te ruimen.
Dit blijkt uit een wereldwijd onderzoek,
gecoordineerd door de MDL-afdeling van het
Erasmus MC en gepubliceerd in The Lancet.
Hepatitis B is een virusinfectie van de lever
die veel voorkomt bij mensen met een
gemiddelde leeftijd van 35 jaar. Het virus
wordt via seksueel of bloedcontact overgebracht.
Eenmaal chronisch kan hepatitis B leiden tot levercirrose
en leverkanker. Wereldwijd hebben rond de
vierhonderd miljoen mensen een chronische hepatitis-
B-infectie en jaarlijks sterven een miljoen patienten
aan de gevolgen van chronische hepatitis B.
Bij het gepubliceerde onderzoek waren 266
patienten betrokken. Bij 35% trad daadwerkelijk
genezing op. Bij hen kwam de ziekte niet meer
terug.
Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat het
hepatitis-B-virus verschillende stammen ofwel
genotypen heeft. patienten met genotype A of B
reageren beter op de behandeling dan patienten met
genotype C of D. De genotypes zijn over de wereld
verspreid. Zo komt genotype A het meest voor in
Noord-Europa en in Noord-Amerika. Genotype B
en C komen het meest voor in Oost-Azie en genotype
D in het mediterrane gebied.
De behandeling met PEG-interferon duurt
ongeveer een jaar. De behandeling is kostbaar en
geeft nogal wat bijwerkingen, zoals een grieperig
gevoel en vermoeidheid. Nu bekend is welke genotypen
goed reageren op PEG-interferon, kan een
meer individueel behandelplan worden gemaakt.
Hepatitisweek
De vierde Landelijke Hepatitisweek wordt gehouden van
11 t/m 15 oktober 2005 in De Eenhoorn aan het Stationsplein
te Amersfoort. Het congres wordt georganiseerd
door het Nationaal Hepatitis Centrum in samenwerking
met tal van beroeps- en patientenorganisaties.
De week is gericht op het vergroten van aandacht, kennis
en het bewustzijn van virale hepatitis bij de beroepsgroepen.
Er zijn symposia, workshops, themabijeenkomsten
en er verschijnen nieuwe publicaties.
|
ENDO CLUB NORD: veel spektakel
Op 5 en 6 november trok ENDO CLUB NORD, internationaal
forum voor praktijkgeorienteerde gastro-intestinale endoscopie
maar liefst 1900 deelnemers. Zij kregen in zeven sessies 35 live
endoscopieen te zien. Vele anderen keken overal ter wereld mee via snelle
beeldverbindingen. Van de beloofde wetenschappelijke dialoog kwam weinig
terecht. Het werd een show van experts met uitgesproken expert-opinies.
Het begon met de nieuwe snufjes. Zo werd de BAR-X getoond; een ballon-
probe met vele bipolaire windingen voor ablatie van Barrett-epitheel. De
ballon blaast zich op en geeft een kortdurende coagulatiepuls af. Dankzij de
vele fijne windingen van de probe blijft het coagualatie-effect beperkt tot een
afstand van 700 micron. Net genoeg voor een veilige ablatie van het epitheel.
Daarna toonde professor Haruhiro Inoue, bekend van de endoscopische
mucosale resecties van Barrett-epitheel, de cytoscopie, waarbij tijdens de scopie
microscopische beelden in vivo werden gemaakt van normaal, dysplastisch
epitheel en mucosaal carcinoom.
GALWEG
Natuurlijk ontbraken de galwegen niet. Ze werden bij voorkeur met een
babyscoop gecannuleerd, waarbij galstenen met ultra-sound werden aangevallen.
Soms leek het erop dat men indruk wilden maken door met zoveel
mogelijk apparatuur de galwegen in te gaan. Zo was te zien hoe een steen
werd verwijderd door met een scoop percutaan naar binnen te gaan en hem
met de lithotryptor te vergruizen. Na een schakelmoment met een andere
kamer kwam het beeld terug van dezelfde patient. Nu had men de steen in
een dormia gevangen en verwijderde hem retrograad. Natuurlijk wel onder
direct zicht van de scoop die nog steeds percutaan werd opgevoerd.
WETENSCHAP
Discussie kwam er, de dag erna, toen alle acrobatiek in videomontages
werd nabeschouwd. Hier was tijd voor kritiek en vragen. Maar echte wetenschap
werd het niet, zoals professor Axon uit Leeds, de toehoorders fijntjes
liet weten: "Er worden een hoop nieuwe therapeutische endoscopische technieken
op de markt gebracht, maar aan voldoende wetenschappelijke onderbouwing
ervan ontbreekt het vaak."
Pieter Stokkers
Afscheid van Adriaan Douwes, kindergastro-enteroloog
Adriaan Douwes is bijna 33 jaar werkzaam
als kinderarts/gastro-enteroloog
in het VU medisch centrum. Hij gaat
op 1 maart 2005 met pensioen. Als een van de
eerste kindergastro-enterologen van Nederland
heeft hij op veel gebieden pionierswerk verricht.
Hij maakte de waterstofademtest geschikt voor
gebruik bij kinderen. Hij was de eerste die zich
verdiepte in de problematiek van voedselallergie
bij Nederlandse zuigelingen. Hij ontwikkelde zijn
eigen succesvolle behandelprogramma voor functionele
obstipatie bij kinderen. Hij verdiepte zich
als een van de eersten in het lastige gebied van
slikproblemen bij zuigelingen en wist recent het
hongerprovocatieprogramma voor jonge kinderen
met pathologische voedselweigering - in
Utrecht gestart, maar daar inmiddels zieltogend -
in het VUmc met groot succes te reanimeren.
In de tijd dat de (kinder)gastro-enterologische
wereld zich het hoofd brak over de klinische en
diagnostische valkuilen van koolhydraatmalabsorptie,
bracht de waterstofademtest (WAT)
licht in de duisternis. Bij de fermentatie die volgde
op aflevering van niet-geabsorbeerd materiaal
in het colon, wordt waterstof gevormd, dat vervolgens
diffundeert naar het bloed en binnen enkele minuten via de longen het lichaam verlaat.
Waar de WAT vooral werd en wordt ingezet voor
onderzoek naar primaire lactasedeficientie, heeft
Adriaan indertijd laten zien dat er meer toepassingsgebieden
zijn. Hij was de eerste die aantoonde
dat zelfs zuigelingen (althans zijn dochter)
lactose deels naar het colon lieten ontsnappen. De
aandacht is inmiddels overigens (helaas?) verlegd
naar andere horizonten: deden we in het VUmc
in de hoogtijdagen 200 WAT's per jaar, nu zijn het
er ten hoogste 10.
Niet alleen op klinisch en op onderzoeksgebied
heeft Adriaan zijn sporen ruimschoots verdiend,
hij is door de jaren heen ook zeer actief
geweest in commissies, redacties en overlegorganen,
waarin hij zich onder meer sterk maakte
voor gezonde voeding voor zuigelingen en
oudere kinderen. Op internationaal gebied was
hij onder andere bestuurslid van de European
Society of Pediatric Gastroenterology and Nutrition.
Ook haalde hij in 1990 het belangrijkste
kindergastro-enterologische congres ter wereld
naar Amsterdam: the 3rd Joint Meeting of ESPGAN
and NASPGN. Zijn laatste wapenfeit was de
samensmelting van de afdelingen kindergastroenterologie
van VUmc en LUMC, waarover u
onlangs in dit blad kon lezen. Daarmee heeft hij
er in elk geval voor gezorgd dat zijn afdeling,
ondanks de nu toeslaande bezuinigingen, met
vertrouwen de toekomst tegemoet kan zien.
Op 10 maart vindt in de Amstelzaal van het
VUmc het symposium "In spin... Uit spuit"
plaats; aansluitend kan men tijdens een receptie in
de foyer afscheid nemen van Adriaan.
Frank Kneepkens, kindergastro-enteroloog, VUmc
DONOR-DONORTRANSPLANTATIE VAN DE LEVER
Een 16-jarige vrouw met een blanco medische voorgeschiedenis,
Patiente A, werd opgenomen met een gedecompenseerde levercirrhose,
Child-Pugh klasse C. Anamnestisch had zij een week tevoren Arthrotec
gekregen vanwege een gezwollen linker knie. Zij ontwikkelde naast klachten
van algehele malaise, perifere enkeloedeem en had een progressieve
ascitesbuik. Zij had nooit eerder bloedtransfusies gekregen, geen intraveneus
drugsgebruik en geen andere (alternatieve) medicatie. Op de echoabdomen
werd een kleine cirrotische lever met normale flow, een forse
splenomegalie en veel ascites gevonden. Bij gastroscopie: graad 2 oesofagusvarices.
Biochemisch waren er verlengde stollingsparameters, een
trombopenie, albumine 15, ammoniak 84, bili 51/34, AF 257, gGt 36,
ASAT 100, ALAT 38, LDH 477. ASMA positief, hepatitis-serologie negatief.
Het levernaaldbiopt liet een beeld passend bij auto-immuunhepatitis
zien met uitgebreide verkavelende fibrose/cirrose.
Patiente werd behandeld met Prednison en Azathioprine. Verwijzing
naar het LUMC en plaatsing op de levertransplantatiewachtlijst in bloedgroep
B volgden. Haar klinische conditie verslechterde met slechts een
partiele remissie van haar auto-immuun hepatitis. Gezien haar moeilijke
bloedgroep en kleine postuur zou zij naar verwachting lang op een levertransplantatie
moeten wachten.
Ruim een jaar na initiele presentatie van Patiente A werd een andere
Patiente (B) in onze kliniek auxiliair getransplanteerd wegens een acuut
leverfalen door tuberculostatica-gebruik. Na herstel van de eigen lever van
Patiente B werd met instemming van Patiente A besloten tot het hertransplanteren
van deze extended linker donorlever van Patiente B naar
Patiente A.
De donorlever kwam goed op gang. Wel werd het post-operatieve
beloop gecompliceerd door choledocholithiasis waarvoor steenextractie,
CMV-reactivatie en een HUS. Patiente A maakt het thans uitstekend. Het
hergebruik van de donorlever na het overlijden van de ontvanger, veelal
direct na transplantatie, is enkele malen beschreven. Van deze living nonrelated
orthotope levertransplantatie van een eerder auxiliair gebruikt
transplantaat is echter nog geen eerdere beschrijving in de literatuur voorhanden.
Onze casus beschrijft een optimaal gebruik van een donorlever in
een tijd met donorschaarste en een oplopende wachtlijst.
Jonathan Lai, MDL-arts i.o.,
mede namens B. van Hoek en J. Ringers, LUMC, Leiden
PORTALE HYPERTENSIE NA LEVERTRANSPLANTATIE
Een jonge vrouw onderging in 1989 een levertransplantatie. Initiele
immuunsuppressie: r-ATG, azathioprine (AZA), prednison en cyclosporine
(CyA). In 1990 werd AZA 1 mg/kg opnieuw geintroduceerd. De
transplantaatfunctie was steeds goed; wel viel retrospectief op, dat er een
langzame daling van de trombocyten was en de milt groter werd. Veertien
jaar na transplantatie presenteerde patiente zich met een slokdarmvaricesbloeding.
De diagnose werd gesteld op portale hypertensie, veroorzaakt
door nodulaire regeneratieve hyperplasie (NRH).
In de grootste autopsieserie was de prevalentie 65/2500 (2,6%), maar
slechts 3/65 (4,7%) hadden ook portale hypertensie (1). De meest frequente klinische presentatie is met varicesbloeding of symptomen van
hypersplenisme. Door de goede leversynthesefunctie wordt over het algemeen
aangenomen dat de prognose goed is. patienten kunnen echter een
progressief beloop met leverdecompensatie krijgen (2). Hepatotoxische
middelen verklaren tot 60% van de NRH.
Met name de vroege diagnose is lastig, verhoging van de cholestatische
leverenzymen en lichte verhoging van de serumtransaminasen. De karakteristieke
microscopische afwijking is een nodulaire afwijking zonder
fibreuze septa. Een reticulinekleuring laat deze afwijking het beste zien:
micronodulariteit met een behoud van de acinaire structuur, levercelatrofie
in het centrum van de nodus en een 'druk'-aspect door celproliferatie
en -regeneratie aan de rand van de nodus. Wanless 1990 beschouwt
NRH als een ziekte van vasculaire oorsprong; obliteratie van kleine portaalvene
takken werd bij alle patienten gezien.
middels endoscopie, TIPS of chirurgische shunt. Splenectomie moet vermeden
worden, gezien een hoog risico op gecombineerde v. lienalis- en
v. porta-trombose. Het lijkt erop dat alle thiopurines NRH kunnen geven;
we denken dan aan azathioprine, 6MP en 6TG (lanvis). In hoeverre de een
dat meer geeft dan de ander, dient te worden onderzocht.
Rob de Man, afdeling MDL, Erasmus MC Rotterdam
LITERATUUR
1. Wanless IR. Micronodular transformation (nodular regenerative
hyperplasia) of the liver: a report of 64 cases among 2,500 autopsies and a
new classification of benign hepatocellular nodules. Hepatology 1990;
11:787-97.
2. Gane E, Portmann B, Saxena R, Wong P, Ramage J, Williams R.
Nodular regenerative hyperplasia of the liver graft after liver transplantation.
Hepatology 1994; 20:88-94.
O P R O E P
Wetenschappelijk onderzoek MDL in Groote Schuur Ziekenhuis
Studentenstage Kaapstad, Zuid-Afrika
De afdeling MDL in het Groote Schuur Ziekenhuis in Kaapstad is een multidisciplinaire
GE-chirurgische unit. Het ziekenhuis heeft een belangrijke functie in
Kaapstad en vervult een verwijsfunctie in Zuid-Westelijk Afrika tot in Namibie.
De afdeling bestaat uit gastro-enterologie algemeen, een levertransplantatie-
unit en een colorectale unit. De MDL-zorg wordt verzorgd door twee fulltime
MDL-artsen, zes parttime specialisten en drie MDL-artsen-in-opleiding.
Op de afdeling worden gemiddeld 64 nieuwe patienten per week gezien. Er
is met meer dan 1000 IBD-patienten sprake van een grote belangstelling
voor inflammatoir darmlijden. De gangbare endoscopische verrichtingen van
maag, darm en ERCP worden verricht. Helaas beschikt men nog niet over
meer geavanceerde apparatuur zoals endo-echo.
De laatste jaren hebben meerdere leden van deze MDL-afdeling uit het
Groote Schuur Ziekenhuis een bezoek gebracht aan MDL Nederland in het
kader van de zogenaamde Oost-Europacursussen (HDDW) in Zwolle, Arnhem
en later in Amsterdam. Dit heeft erin geresulteerd dat een van de stafleden
recent gedurende vier maanden in het VU medisch centrum heeft gewerkt.
MOLECULAIRE MECHANISMEN VAN ANTIBIOTICUMRESISTENTIE IN
HELICOBACTER PYLORI
Monique Gerrits, 2 december 2004, Erasmus
Universiteit Rotterdam
Ruim vier miljoen Nederlanders zijn besmet met Helicobacter pylori, een
bacterie die de maagmucosa koloniseert. Een infectie met deze bacterie is
chronisch en resulteert meestal in maagontsteking, maar kan ook leiden tot
peptische zweren en maagkanker. Eradicatie van H. pylori leidt in de meeste
gevallen tot regressie en/of genezing van H. pylori-gerelateerde ziekten.
Momenteel berust de enige succesvolle behandeling van H. pylori-infecties
op het eradiceren van de bacterie door het gebruik van antibiotica.
Door de lage pH in de maag zijn slechts een beperkt aantal antibiotica
effectief voor de behandeling van H. pylori. Het intensieve gebruik van deze
middelen in het algemeen heeft ertoe geleid dat het aantal antibioticumresistente
H. pylori-stammen toeneemt, met als gevolg dat de eradicatie van
H. pylori steeds gecompliceerder wordt. Om deze reden is het raadzaam om
de prevalentie van antibioticumresistentie in H. pylori in kaart te brengen.
Aangezien op dit moment de meeste H. pylori-infecties gediagnostiseerd
worden met behulp van niet-invasieve testen (bijvoorbeeld ureum-ademtest,
serologie, stool-antigentest) is informatie over antibioticumgevoeligheid
van deze bacterie meestal niet voor handen. Indien de gevoeligheid
wordt bepaald met standaard, op kweek gebaseerde, technieken (E-test,agardilutie en diskdiffusie), kunnen de verkregen waarden moeilijk met
elkaar worden vergeleken door het ontbreken van standaardisatie. Moleculaire
testen daarentegen zijn sneller, reproduceerbaar en gemakkelijk te
standaardiseren; zij bieden dus een aantrekkelijk alternatief. Echter, voordat
deze testen ontwikkeld kunnen worden, dient kennis van moleculaire
mechanismen van antibioticumresistentie bekend te zijn.
Onderhavig onderzoek was voornamelijk gericht op het ontrafelen
van moleculaire mechanis-men van tetracycline, amoxicilline en metronidazolresistentie
in H. pylori, en het toepassen van deze informatie voor
moleculaire testen.
dat deze resistentie wordt veroorzaakt door een enkele drievoudige basenpaarverandering,
AGA926-928TTC, in beide 16S rRNA-genen. Op basis
van deze kennis was de auteur van het bovengenoemde proefschrift in staat
om een tweetal sneldiagnostiektesten te ontwikkelen. De eerste techniek,
de PCR-RFLP (Restrictie Fragment Lengte Polymorfisme), is eenvoudig,
snel en goedkoop en kan vrijwel in ieder diagnostisch laboratorium worden
uitgevoerd. De tweede test, een real time PCR op basis van Light-
Cycler-technologie, is snel en zeer accuraat en indien deze test direct
wordt uitgevoerd op een maagbiopt, dan kan de uitslag van de test nog
worden verkregen op de dag van endoscopie.
In H. pylori wordt amoxicillinresistentie veroorzaakt door verschillende
mutaties in het pbp1A-gen, terwijl metronidazolresistentie wordt teweeggebracht
door een of meerdere willekeurige mutaties in het rdxA- en
frxA-gen. Daar beide resistentiemechanismen berusten op een breed scala
aan mutaties, is het niet voor de hand liggend dat op korte termijn DNAgebaseerde
sneldiagnostiektesten worden ontwikkeld voor de detectie van
amoxicilline- en metronidazolresistentie.
CURRICULUM VITAE
Monique Gerrits is geboren op 4 september 1972 te Zevenaar. Tijdens
haar opleiding Hoger Laboratorium Onderwijs specialiseerde zij zich in de
Medische Microbiologie en Biotechnologie. Zij liep tweemaal stage: bij
het Medisch Microbiologisch Laboratorium van het Diakonessenhuis te
Utrecht en bij de afdeling Medische Microbiologie en Infectiepreventie
van de Vrije Universiteit te Amsterdam. In april 1996 accepteerde zij een
functie als medisch-researchanaliste bij de VU. Hier verrichtte zij onder
leiding van dr. J.G. Kusters vierenhalf jaar lang onderzoek aan Helicobacter
pylori. Per 1 januari 2001 werd deze samenwerking voortgezet bij de
MDL-afdeling van het Erasmus MC te Rotterdam. In mei 2002 startte
Monique Gerrits onder leiding van prof. dr. E.J. Kuipers, dr. J.G. Kusters
en dr. A.H.M. van Vliet haar promotieonderzoek. Zij ging op internationaal
werkbezoek bij de afdeling Clinical Pharmacology and Gastroenterology
Unit van de Sao Francisco University te Braganca Paulista, Brazilie.
Monique Gerrits blijft werkzaam op de MDL-afdeling van het Erasmus
MC.
Geinteresseerden kunnen het proefschrift opvragen via:
m.m.gerrits@erasmusmc.nl.
Op dit moment werkt daar een MDL-arts-in-opleiding (Philip Friederich), die
na een jaar Groote Schuur zijn opleiding in het AMC zal vervolgen.
De MDL-afdeling Groote Schuur zou de komende jaren graag Nederlandse
studenten huisvesten voor een wetenschappelijke stage van drie a vier
maanden. Het liefst zou men studenten zien die hun co-schappen grotendeels
hebben gelopen en die als zodanig ook - naast hun wetenschappelijk
onderzoek - de rapporten, overdrachten en besprekingen zouden kunnen
meelopen.
Geinteresseerden kunnen contact opnemen met David Epstein, MDL-arts
Groote Schuur Ziekenhuis Kaapstad, email: epstein@curie.uct.ac.za,
telefoon: 0027-21-404-3040.
Degenen die meer willen weten over de huidige problemen in de Zuid-
Afrikaanse gezondheidszorg raad ik het artikel 'Health Care Reform and the
Crisis of HIV and AIDS in South Africa' aan van Solomon R. Benatar,
New England Journal of Medicine 2004; 7:81-92.
Chris Mulder, VUmc
e-mail: cjmulder@vumc.nl
'Eigenlijk wilde ik niet weg uit
Nederland'
Omdat haar man als fysicus in Leiden een
promotieplaats kreeg aangeboden, verhuisde
de jonge arts Verena van den
Brandt-Gradel in 1976 naar Nederland. In het
Slotervaart Ziekenhuis volgde zij de interne
opleiding en bij Guido Tygat in het AMC de
MDL-opleiding. Een jaar in het Anthonie van
Leeuwenhoek Ziekenhuis zorgde voor voldoende
kennis over de oncologische aspecten van het vak.
Toen ze haar opleiding in 1984 afrondde, lagen de
kaarten omgekeerd: de heer Van den Brandt verloor
zijn baan in Delft en werd in Zwitserland met
open armen ontvangen.
In het kleine Aarau (ruim 15.000 inwoners)
heeft Verena van den Brandt sinds ruim tien jaar
haar eigen 'Praxis'. Daarvoor werkte ze op de
afdeling gastro-enterologie van het academisch
ziekenhuis in Bern. Een snelle blik op de ledenlijst
van het Zwitserse Genootschap van MDL-artsen
leert dat ze tegenwoordig hooguit vijf vrouwelijke
collega's heeft tegenover ruim 175 mannelijke
collega's
Verena van den Brandt: "Het is in Zwitserland
voor een jonggetrouwde vrouw haast onmogelijk
om een opleiding tot medisch specialist te volgen.
Je moet voortdurend verhuizen om in verschillende
ziekenhuizen delen van je opleiding te kunnen
doen. Dat lukt bijna niet als je getrouwd bent,
want probeer als man en vrouw maar eens elk een
baan te krijgen in dezelfde plaats. In de praktijk
komt het erop neer dat mannen een carrière
opbouwen en vrouwen in veel mindere mate.
Lange tijd was ik de enige vrouwelijke MDL-arts
in Zwitserland. In Nederland is de opleidingssituatie
veel gemakkelijker. In het Slotervaart kon
ik mijn volledige interne opleiding doen en vervolgens
kreeg ik een plaats voor de MDL-opleiding
in het Wilhelmina Gasthuis/AMC. Het
schakelt allemaal veel gemakkelijker."
CULTUURSHOCK
Gaan werken in een Zwitsers ziekenhuis - de
opleidingen zijn onder bepaalde voorwaarden
wederzijds erkend – was voor Verena van den
Brandt een ware cultuurshock. "Ik was gewend
geraakt aan de losse, collegiale omgang in Nederland.
Daar werd je als specialist-in-opleiding gestimuleerd
zelf initiatief te nemen en een eigen stijl
te ontwikkelen, ook in de omgang met patienten.
Daar is in Zwitserland - nog altijd - geen sprake van. De verhoudingen zijn autoritair en eigen initiatief
wordt nauwelijks op prijs gesteld. De specialist-
in-opleiding doet wat de professor zegt, en
daarmee uit. Eigenlijk had ik helemaal niet weg
gewild uit Nederland. Ik heb me daar altijd heel
goed op mijn plaats gevoeld. Het was omdat mijn
man een baan kon krijgen in Zwitserland, anders
was ik zeker gebleven."
MAATSCHAPPEN
Met haar eigen praktijk kreeg Van den Brandt
ook weer de ruimte het werk op haar eigen
manier te doen. "In mijn eigen praktijk heb ik alle
vrijheid. Ik heb mijn eigen personeel en mijn
eigen apparatuur. In de 'gastropraxis' zijn coloscopie,
gastroscopie en sonografie de meest voorkomende
verrichtingen. Ingewikkelde zaken zoals
ERCP doen mijn collega's en ik in het plaatselijke
overheidsziekenhuis. De andere kant van de
medaille is, dat ik fulltime moet werken en mijn
uiterste best moet doen om patienten te krijgen
en te houden. We zijn in het kanton Aargau
(560.000 inwoners) met zeven MDL-artsen die
een eigen praktijk hebben. Door de concurrentie
komen wachtlijsten hier niet voor. Patienten kunnen
meteen terecht; uitslagen van de patholooganatoom
heb ik binnen twee of drie dagen en ook
voor een MRI of CT-scan kunnen patienten binnen
enkele dagen terecht. We hebben hier in dit
kleine plaatsje drie volledige rontgenpraktijken.
Het werkt allemaal heel snel. Hoe lang dat nog zo
kan blijven, vraag ik me overigens af. Ik heb bijvoorbeeld
in de afgelopen tien jaar alleen al in
endoscopieapparatuur ruim een kwart miljoen
euro geinvesteerd. Apparatuur wordt steeds beter,
maar ook steeds duurder. Voor een eenpersoonspraktijk
is dat op den duur niet meer op te brengen.
Ik denk dus dat we ook hier toegaan naar
maatschappen, zoals dat bij de rontgenologen nu
al het geval is. Dat zal het ook gemakkelijker
maken werk en prive beter op elkaar af te stemmen."
VRIJE KEUZE
Wanneer inschakeling van andere specialisten
- zoals de oncoloog of de chirurg - nodig is,
ervaart Van den Brandt een plezierige keuzevrijheid.
"Ik kan voor elke patient een optimale
keuze maken. De ene chirurg is goed met oude
mensen, de andere goed met jonge. De een weet
hoe je moet omgaan met een sportman of sportvrouw,
de ander heeft daar geen gevoel voor. In
Nederland moest je toch eigenlijk wel kiezen
voor de chirurg die verbonden was aan je eigen
ziekenhuis."
IMPORT EN EXPORT
Wat Nederland van Zwitserland zou kunnen
leren, is dat bij een andere organisatie van de
gezondheidszorg de wachtlijsten tot het verleden
kunnen behoren. Het werken met kleinere praktijken
biedt de patient een groter keuzevrijheid en
leidt tot een 'klantvriendelijke' benadering. Uit
Nederland zou
Verena van den Brandt graag de
informele en collegiale omgang willen 'importeren' evenals een deel
van de solidariteit die is ingebakken
in het Nederlandse zorgverzekeringssysteem.
"Je ziet hier bijvoorbeeld dat de opvang van
patienten met een psychische stoornis veel problemen
heeft. Verzekeringen vergoeden die
behandeling meestal niet en veel van deze patienten
hebben geen werk of een slecht betaalde baan
en kunnen de behandeling dus ook niet zelf betalen.
Dat is in Nederland beter geregeld."
|